
“Kind van de bijzondere jeugdzorg”
Elke donatie = begeleiding voor een kwetsbare jongere. Volg mee de opbrengst en wat we ermee doen. 🙏❤️
Mijn naam is Nick De Ridder. Ik ben opgegroeid in een wereld van drugs, jeugdzorg en later gevangenissen. Ik deel mijn verhaal niet om medelijden te krijgen, maar om een stem te geven aan kinderen die vandaag nog steeds in stilte hetzelfde meemaken. Met deze blog vertel ik rauw en eerlijk hoe mijn jeugd eruitzag — in stukken, in episodes — zodat jij kan voelen wat het betekent om als kind geen keuze te hebben.
Van wieg tot jeugdzorg: een kind zonder keuze
Ik ben geboren in een wieg van twee zwaar drugsverslaafde ouders.
En voor ik verder vertel: ik gooi geen steen naar mijn ouders. Zij waren ook slachtoffers van het drugsmilieu. Net zo min gooi ik een steen naar het systeem van toen — er was gewoon nog te weinig kennis, er zijn ondertussen stappen vooruit gezet.
Waarom ik dit deel?
Omdat ik wil dat professionals die met kinderen werken zich kunnen inbeelden hoe het écht voelt als kind.
En omdat ik mijn verhaal wil delen met iedereen die in hetzelfde schuitje zat als ik: om hen een hart onder de riem te steken, en misschien zelfs wat motivatie te geven.
Mijn vader bracht zijn jonge jaren door in de portierswereld — een harde scene van drank, drugs en rock-'n-roll.
Over mijn moeder weet ik weinig. Ik heb haar amper gekend. Wat ik wél weet, is dat ze werd uitgebuit door pooiers, die haar verslaving gebruikten om geld te verdienen op haar rug. Ze werd in de prostitutie geduwd. Toch ben ik haar dankbaar dat ze tijdens haar zwangerschap clean wist te blijven. Misschien is dat wel de reden dat ik vandaag een zekere intelligentie heb kunnen behouden.
Maar bij mij liep het fout in de eerste duizend dagen van mijn leven.
Die eerste periode — van conceptie tot ongeveer twee jaar — is cruciaal voor een kind. Dan wordt de basis gelegd voor gezondheid, hechting, emoties en sociale ontwikkeling. Een baby heeft in die periode stabiliteit, warmte en de troostende borst van een moeder nodig.
Ik had dat niet.
Ik werd meermaals weggehaald uit mijn thuissituatie. Mijn vader zat vaak in de psychiatrie. Mijn moeder vluchtte naar Frankrijk met haar nieuwe vriend.
Wat dat met een kind doet? Dat laat littekens achter die je niet ziet, maar die wel je hele leven meedragen.
Uiteindelijk vloog mijn vader de gevangenis in — vijf jaar.
Ikzelf werd geplaatst in een home die ironisch genoeg "Blij Leven" heette. Een naam die niet verder van de waarheid kon liggen..
Blij leven
Het is moeilijk voor mij om hierover te schrijven, want ik heb niet zoveel herinneringen aan die vijf vroege jaren van mijn leven. Toch is er één moment dat in mijn geheugen gegrift staat: het eerste bezoek van mijn moeder, samen met mijn (half)zusje, in de instelling waar ik verbleef. ( zie foto )
Wat ik mij nog herinner zijn vooral losse beelden: het gebouw, het bad, de eetzaal, de tuin. Alles staat me vaag bij, maar zonder veel concrete momenten. De slaapkamers waren niet veel groter dan een cel van tien vierkante meter, tenzij je een kamer met twee moest delen. Het vaak verhuizen van kamer naar kamer vond ik vreemd. Waarom dat moest gebeuren, weet ik nog steeds niet.
De school herinner ik me beter. Eerst zat ik in het tweede en derde kleuterklasje. Ik zie nog de speelplaats voor me en de zaal waar toneel kon worden gespeeld, naast de sportzaal. Op de speelplaats doodde ik wespen die rond de vuilbak vlogen. Met platte handen sloeg ik ze neer, zo snel dat ik niet gestoken werd. Waarom ik dat deed, weet ik niet precies, maar waarschijnlijk had het ermee te maken dat ik al merkte dat ik "anders" was en indruk wilde maken.
Na het derde kleuterklas verhuisde ik naar een basisschool aan het begin van de straat, vlak bij het paviljoen Tulpentuin waar ik verbleef. Er waren meer paviljoenen, allemaal genoemd naar bloemen. Op het hele domein van Blij Leven lagen verschillende zorginstellingen.
Op de basisschool herinner ik me vooral de lessen en het pesten. Wij werden door de andere kinderen al meteen gestigmatiseerd: wij waren de instellingskinderen, de kinderen zonder mama en papa. Ik verzette me door te vechten, maar werd telkens gestraft door de leerkrachten. Vaak stond ik tijdens de speeltijd aan een hoge groene draadomheining, waar je doorheen kon kijken. Daar droomde ik weg, fantaserend over hoe het zou zijn om in een gewoon huis te wonen, net als de kinderen die wél bij hun ouders woonden.
Elke dag liepen we van het paviljoen naar school en weer terug. Soms sloeg ik stiekem af naar het dorp ernaast het dorp van Bassevelde, waar een snoepwinkeltje was. Met mijn zakgeld kocht ik daar lekkers. Ik herinner me nog hoe ik eens dringend naar het toilet moest, maar de drang naar snoep was sterker: terwijl ik aan de kassa stond, plaste ik gewoon in mijn broek. Toen begon mijn patroon van onmiddellijke behoeftebevrediging: niets hield me tegen, zelfs een dringend toiletbezoek niet.
Op het domein van Blij Leven zelf bouwden we kampen in de tuin. In de grachten rondom zaten vaak grote ratten, die we probeerden te vangen — er was immers weinig anders te beleven.
Het grootste trauma dat ik daar heb meegemaakt, speelde zich af op de kamer. Een oudere jongen, net nieuw aangekomen, probeerde mij 's avonds seksueel te misbruiken. Hij bood mij zijn Game Boy aan in ruil voor seksuele handelingen. Ik weigerde steeds, en op een gegeven moment ben ik het gaan melden bij de opvoeders. Hun aanpak was een directe confrontatie, waarop de jongen heftig reageerde: hij sloeg zijn hoofd tot bloedens toe tegen het raamkozijn. Nu besef ik dat ook hij waarschijnlijk kampte met een ernstig verstoorde emotionele ontwikkeling.
Het spijtige eraan is dat ik daar geen gelukkig kind kon zijn. Er waren wel momenten waarop we met elkaar speelden en er even een lach op ons gezicht verscheen, maar als ik dat vergelijk met wat mijn zoontje vandaag elke dag beleeft in zijn thuissituatie, dan is dat een wereld van verschil. Hij kent een constant gevoel van blijheid en vreugde, zonder zorgen, écht gelukkig. Dat gevoel was daar totaal afwezig.
Rond mijn 9 jaar werd mijn vader vrijgelaten uit de gevangenis. Ik kende die man amper. Ik had hem slechts een paar keer gezien: op mijn verjaardag mocht ik hem bezoeken en af en toe kwam hij vanuit de gevangenis langs. Ik durf wel zeggen dat mijn vader met veel motivatie naar buiten kwam om opnieuw een vaderfiguur te zijn. Hij had intussen ook een nieuwe vrouw leren kennen. Samen zijn we gaan wonen in Wondelgem, in een appartement waar ik mijn eigen kamer had.
Na een jaar verhuisden we opnieuw, dit keer naar een woning naast een café, verbonden aan een motorclub. Dat was het begin van alles, maar dan in negatieve zin.
Na een tijdje werd het café verhuurd aan een andere motorclub, de Blue Angels. Om veiligheidsredenen kan ik daar niet te veel over vertellen. Het zou gevoelige snaren kunnen raken, ook al is dit meer dan 25 jaar geleden. Het was een periode waarin drugs en wapens centraal kwamen te staan in mijn opvoeding. Wat ik wel kan zeggen, is dat ik doodsbang was van mijn vader. Elke dag voelde als terreur door zijn drugsverslaving. Hij was niet meer de man die ik kende tijdens mijn tijd in Blij Leven of in het eerste jaar na mijn verhuis.
Mocht je mijn verhaal verfilmen, dan was De helaasheid der dingen nog een vrij normale jeugd in vergelijking met wat ik daar heb meegemaakt. Vooral de angsten en trauma's die ik daar opliep, hebben diepe sporen nagelaten.
Na een tijd is mijn stiefmoeder uiteindelijk gevlucht voor mijn vader. De enige moederfiguur die ik ooit had, was plots weg. Tussen mijn 11 en 12 jaar begon ik ook weg te lopen van huis, uit pure angst. Als ik er nu over nadenk, kan ik zeggen dat ik meer dan tien keer 's nachts buiten heb geslapen omdat ik niet naar huis durfde. In kelders van appartementsgebouwen op de Muide, in trappenhallen in Nieuw-Gent, of in het sparrenbos in de tuin van een vriend in Lovendegem, waar de politie mij uiteindelijk volledig onderkoeld heeft teruggevonden.
Mijn school verderzetten vanuit Blij Leven was ook een ramp. Overal werd ik buitengezet. Ouders spraken mij aan om te zeggen dat ze niet wilden dat ik met hun kind speelde. Sociale uitsluiting maakte ik toen al mee.
Mijn eerste middelbaar heb ik nooit afgemaakt, en dat is ook de hoogste klas die ik ooit heb behaald.
Op een bepaald moment vond ik thuis potten met amfetamines, speed en xtc. Ik was 12 jaar toen ik voor het eerst harddrugs gebruikte. Speed had ik al gerookt, in een lang vloeitje, samen met een jeugdvriend van het Van Beverenplein. Xtc nam ik zelfs wanneer ik naar school moest. Ik zat toen in het buitengewoon onderwijs, Buso Bert Carlier, type 3 gedragsstoornis.
Alles samen was ik een kind met extreem gedrag, en niemand wist raad met mij. Mijn eerste plaatsing in een gesloten instelling, de gemeenschapsinstelling De Zande in Ruiselede, liet dan ook niet lang op zich wachten.
Ik was 12 jaar toen ik de poorten binnenreed in een combi, geboeid aan de handen, als een echte crimineel. Zo voelde het tenminste. Terwijl ik eigenlijk vooral slachtoffer was van mijn jeugdsituatie.
Vroeger moest je bij aankomst in Ruiselede eerst enkele uren in het cachot. Je moest je kleren inruilen voor de kledij van De Zande en in een isolatiecel je levensverhaal neerschrijven. Een houten bed, een toilet, een bankje en een tafeltje, allemaal vastgevezen in de grond.